Vervoeging van inklinken

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik klink in
    • jij klinkt in
    • hij/zij/het klinkt in
    • wij klinken in
    • jullie klinken in
    • zij klinken in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik klonk in
    • jij klonk in
    • hij/zij/het klonk in
    • wij klonken in
    • jullie klonken in
    • zij klonken in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingeklonken
    • jij hebt ingeklonken
    • hij/zij/het heeft ingeklonken
    • wij hebben ingeklonken
    • jullie hebben ingeklonken
    • zij hebben ingeklonken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingeklonken
    • jij had ingeklonken
    • hij/zij/het had ingeklonken
    • wij hadden ingeklonken
    • jullie hadden ingeklonken
    • zij hadden ingeklonken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal inklinken
    • jij zult inklinken
    • hij/zij/het zal inklinken
    • wij zullen inklinken
    • jullie zullen inklinken
    • zij zullen inklinken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingeklonken hebben
    • jij zult ingeklonken hebben
    • hij/zij/het zal ingeklonken hebben
    • wij zullen ingeklonken hebben
    • jullie zullen ingeklonken hebben
    • zij zullen ingeklonken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou inklinken
    • jij zou inklinken
    • hij/zij/het zou inklinken
    • wij zouden inklinken
    • jullie zouden inklinken
    • zij zouden inklinken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingeklonken
    • jij zou hebben ingeklonken
    • hij/zij/het zou hebben ingeklonken
    • wij zouden hebben ingeklonken
    • jullie zouden hebben ingeklonken
    • zij zouden hebben ingeklonken
  • Imperatief

    • jij klink in
    • jullie klinkt in

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van inklinken