Vervoeging van inleiden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik leid in
    • jij leidt in
    • hij/zij/het leidt in
    • wij leiden in
    • jullie leiden in
    • zij leiden in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik leidde in
    • jij leidde in
    • hij/zij/het leidde in
    • wij leidden in
    • jullie leidden in
    • zij leidden in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingeleid
    • jij hebt ingeleid
    • hij/zij/het heeft ingeleid
    • wij hebben ingeleid
    • jullie hebben ingeleid
    • zij hebben ingeleid
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingeleid
    • jij had ingeleid
    • hij/zij/het had ingeleid
    • wij hadden ingeleid
    • jullie hadden ingeleid
    • zij hadden ingeleid
  • Toekomende tijd I

    • ik zal inleiden
    • jij zult inleiden
    • hij/zij/het zal inleiden
    • wij zullen inleiden
    • jullie zullen inleiden
    • zij zullen inleiden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingeleid hebben
    • jij zult ingeleid hebben
    • hij/zij/het zal ingeleid hebben
    • wij zullen ingeleid hebben
    • jullie zullen ingeleid hebben
    • zij zullen ingeleid hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou inleiden
    • jij zou inleiden
    • hij/zij/het zou inleiden
    • wij zouden inleiden
    • jullie zouden inleiden
    • zij zouden inleiden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingeleid
    • jij zou hebben ingeleid
    • hij/zij/het zou hebben ingeleid
    • wij zouden hebben ingeleid
    • jullie zouden hebben ingeleid
    • zij zouden hebben ingeleid
  • Imperatief

    • jij leid in
    • jullie leidt in

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van inleiden