Vervoeging van inpekelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik pekel in
    • jij pekelt in
    • hij/zij/het pekelt in
    • wij pekelen in
    • jullie pekelen in
    • zij pekelen in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik pekelde in
    • jij pekelde in
    • hij/zij/het pekelde in
    • wij pekelden in
    • jullie pekelden in
    • zij pekelden in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingepekeld
    • jij hebt ingepekeld
    • hij/zij/het heeft ingepekeld
    • wij hebben ingepekeld
    • jullie hebben ingepekeld
    • zij hebben ingepekeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingepekeld
    • jij had ingepekeld
    • hij/zij/het had ingepekeld
    • wij hadden ingepekeld
    • jullie hadden ingepekeld
    • zij hadden ingepekeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal inpekelen
    • jij zult inpekelen
    • hij/zij/het zal inpekelen
    • wij zullen inpekelen
    • jullie zullen inpekelen
    • zij zullen inpekelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingepekeld hebben
    • jij zult ingepekeld hebben
    • hij/zij/het zal ingepekeld hebben
    • wij zullen ingepekeld hebben
    • jullie zullen ingepekeld hebben
    • zij zullen ingepekeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou inpekelen
    • jij zou inpekelen
    • hij/zij/het zou inpekelen
    • wij zouden inpekelen
    • jullie zouden inpekelen
    • zij zouden inpekelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingepekeld
    • jij zou hebben ingepekeld
    • hij/zij/het zou hebben ingepekeld
    • wij zouden hebben ingepekeld
    • jullie zouden hebben ingepekeld
    • zij zouden hebben ingepekeld
  • Imperatief

    • jij pekel in
    • jullie pekelt in

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van inpekelen