Vervoeging van inpolderen

Onbepaalde wijs (infinitief): inpolderen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik polder in
    • jij poldert in
    • hij/zij/het poldert in
    • wij polderen in
    • jullie polderen in
    • zij polderen in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik polderde in
    • jij polderde in
    • hij/zij/het polderde in
    • wij polderden in
    • jullie polderden in
    • zij polderden in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingepolderd
    • jij hebt ingepolderd
    • hij/zij/het heeft ingepolderd
    • wij hebben ingepolderd
    • jullie hebben ingepolderd
    • zij hebben ingepolderd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingepolderd
    • jij had ingepolderd
    • hij/zij/het had ingepolderd
    • wij hadden ingepolderd
    • jullie hadden ingepolderd
    • zij hadden ingepolderd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal inpolderen
    • jij zult inpolderen
    • hij/zij/het zal inpolderen
    • wij zullen inpolderen
    • jullie zullen inpolderen
    • zij zullen inpolderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingepolderd hebben
    • jij zult ingepolderd hebben
    • hij/zij/het zal ingepolderd hebben
    • wij zullen ingepolderd hebben
    • jullie zullen ingepolderd hebben
    • zij zullen ingepolderd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou inpolderen
    • jij zou inpolderen
    • hij/zij/het zou inpolderen
    • wij zouden inpolderen
    • jullie zouden inpolderen
    • zij zouden inpolderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingepolderd
    • jij zou hebben ingepolderd
    • hij/zij/het zou hebben ingepolderd
    • wij zouden hebben ingepolderd
    • jullie zouden hebben ingepolderd
    • zij zouden hebben ingepolderd
  • Imperatief

    • jij polder in
    • jullie poldert in