Vervoeging van intoetsen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik toets in
    • jij toetst in
    • hij/zij/het toetst in
    • wij toetsen in
    • jullie toetsen in
    • zij toetsen in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik toetste in
    • jij toetste in
    • hij/zij/het toetste in
    • wij toetsten in
    • jullie toetsten in
    • zij toetsten in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingetoetst
    • jij hebt ingetoetst
    • hij/zij/het heeft ingetoetst
    • wij hebben ingetoetst
    • jullie hebben ingetoetst
    • zij hebben ingetoetst
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingetoetst
    • jij had ingetoetst
    • hij/zij/het had ingetoetst
    • wij hadden ingetoetst
    • jullie hadden ingetoetst
    • zij hadden ingetoetst
  • Toekomende tijd I

    • ik zal intoetsen
    • jij zult intoetsen
    • hij/zij/het zal intoetsen
    • wij zullen intoetsen
    • jullie zullen intoetsen
    • zij zullen intoetsen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingetoetst hebben
    • jij zult ingetoetst hebben
    • hij/zij/het zal ingetoetst hebben
    • wij zullen ingetoetst hebben
    • jullie zullen ingetoetst hebben
    • zij zullen ingetoetst hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou intoetsen
    • jij zou intoetsen
    • hij/zij/het zou intoetsen
    • wij zouden intoetsen
    • jullie zouden intoetsen
    • zij zouden intoetsen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingetoetst
    • jij zou hebben ingetoetst
    • hij/zij/het zou hebben ingetoetst
    • wij zouden hebben ingetoetst
    • jullie zouden hebben ingetoetst
    • zij zouden hebben ingetoetst
  • Imperatief

    • jij toets in
    • jullie toetst in

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van intoetsen