Vervoeging van kankeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kanker
    • jij kankert
    • hij/zij/het kankert
    • wij kankeren
    • jullie kankeren
    • zij kankeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kankerde
    • jij kankerde
    • hij/zij/het kankerde
    • wij kankerden
    • jullie kankerden
    • zij kankerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gekankerd
    • jij hebt gekankerd
    • hij/zij/het heeft gekankerd
    • wij hebben gekankerd
    • jullie hebben gekankerd
    • zij hebben gekankerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gekankerd
    • jij had gekankerd
    • hij/zij/het had gekankerd
    • wij hadden gekankerd
    • jullie hadden gekankerd
    • zij hadden gekankerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal kankeren
    • jij zult kankeren
    • hij/zij/het zal kankeren
    • wij zullen kankeren
    • jullie zullen kankeren
    • zij zullen kankeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekankerd hebben
    • jij zult gekankerd hebben
    • hij/zij/het zal gekankerd hebben
    • wij zullen gekankerd hebben
    • jullie zullen gekankerd hebben
    • zij zullen gekankerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou kankeren
    • jij zou kankeren
    • hij/zij/het zou kankeren
    • wij zouden kankeren
    • jullie zouden kankeren
    • zij zouden kankeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gekankerd
    • jij zou hebben gekankerd
    • hij/zij/het zou hebben gekankerd
    • wij zouden hebben gekankerd
    • jullie zouden hebben gekankerd
    • zij zouden hebben gekankerd
  • Imperatief

    • jij kanker
    • jullie kankert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van kankeren