Vervoeging van kennisgeven

Onbepaalde wijs (infinitief): kennisgeven
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik geef kennis
    • jij geeft kennis
    • hij/zij/het geeft kennis
    • wij geven kennis
    • jullie geven kennis
    • zij geven kennis
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik gaf kennis
    • jij gaf kennis
    • hij/zij/het gaf kennis
    • wij gaven kennis
    • jullie gaven kennis
    • zij gaven kennis
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb kennisgegeven
    • jij hebt kennisgegeven
    • hij/zij/het heeft kennisgegeven
    • wij hebben kennisgegeven
    • jullie hebben kennisgegeven
    • zij hebben kennisgegeven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had kennisgegeven
    • jij had kennisgegeven
    • hij/zij/het had kennisgegeven
    • wij hadden kennisgegeven
    • jullie hadden kennisgegeven
    • zij hadden kennisgegeven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal kennisgeven
    • jij zult kennisgeven
    • hij/zij/het zal kennisgeven
    • wij zullen kennisgeven
    • jullie zullen kennisgeven
    • zij zullen kennisgeven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal kennisgegeven hebben
    • jij zult kennisgegeven hebben
    • hij/zij/het zal kennisgegeven hebben
    • wij zullen kennisgegeven hebben
    • jullie zullen kennisgegeven hebben
    • zij zullen kennisgegeven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou kennisgeven
    • jij zou kennisgeven
    • hij/zij/het zou kennisgeven
    • wij zouden kennisgeven
    • jullie zouden kennisgeven
    • zij zouden kennisgeven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben kennisgegeven
    • jij zou hebben kennisgegeven
    • hij/zij/het zou hebben kennisgegeven
    • wij zouden hebben kennisgegeven
    • jullie zouden hebben kennisgegeven
    • zij zouden hebben kennisgegeven
  • Imperatief

    • jij geef kennis
    • jullie geeft kennis