Vervoeging van knallen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik knal
    • jij knalt
    • hij/zij/het knalt
    • wij knallen
    • jullie knallen
    • zij knallen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik knalde
    • jij knalde
    • hij/zij/het knalde
    • wij knalden
    • jullie knalden
    • zij knalden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geknald
    • jij hebt geknald
    • hij/zij/het heeft geknald
    • wij hebben geknald
    • jullie hebben geknald
    • zij hebben geknald
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geknald
    • jij had geknald
    • hij/zij/het had geknald
    • wij hadden geknald
    • jullie hadden geknald
    • zij hadden geknald
  • Toekomende tijd I

    • ik zal knallen
    • jij zult knallen
    • hij/zij/het zal knallen
    • wij zullen knallen
    • jullie zullen knallen
    • zij zullen knallen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geknald hebben
    • jij zult geknald hebben
    • hij/zij/het zal geknald hebben
    • wij zullen geknald hebben
    • jullie zullen geknald hebben
    • zij zullen geknald hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou knallen
    • jij zou knallen
    • hij/zij/het zou knallen
    • wij zouden knallen
    • jullie zouden knallen
    • zij zouden knallen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geknald
    • jij zou hebben geknald
    • hij/zij/het zou hebben geknald
    • wij zouden hebben geknald
    • jullie zouden hebben geknald
    • zij zouden hebben geknald
  • Imperatief

    • jij knal
    • jullie knalt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van knallen