Vervoeging van koketteren

Onbepaalde wijs (infinitief): koketteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik koketteer
    • jij koketteert
    • hij/zij/het koketteert
    • wij koketteren
    • jullie koketteren
    • zij koketteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik koketteerde
    • jij koketteerde
    • hij/zij/het koketteerde
    • wij koketteerden
    • jullie koketteerden
    • zij koketteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gekoketteerd
    • jij hebt gekoketteerd
    • hij/zij/het heeft gekoketteerd
    • wij hebben gekoketteerd
    • jullie hebben gekoketteerd
    • zij hebben gekoketteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gekoketteerd
    • jij had gekoketteerd
    • hij/zij/het had gekoketteerd
    • wij hadden gekoketteerd
    • jullie hadden gekoketteerd
    • zij hadden gekoketteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal koketteren
    • jij zult koketteren
    • hij/zij/het zal koketteren
    • wij zullen koketteren
    • jullie zullen koketteren
    • zij zullen koketteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekoketteerd hebben
    • jij zult gekoketteerd hebben
    • hij/zij/het zal gekoketteerd hebben
    • wij zullen gekoketteerd hebben
    • jullie zullen gekoketteerd hebben
    • zij zullen gekoketteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou koketteren
    • jij zou koketteren
    • hij/zij/het zou koketteren
    • wij zouden koketteren
    • jullie zouden koketteren
    • zij zouden koketteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gekoketteerd
    • jij zou hebben gekoketteerd
    • hij/zij/het zou hebben gekoketteerd
    • wij zouden hebben gekoketteerd
    • jullie zouden hebben gekoketteerd
    • zij zouden hebben gekoketteerd
  • Imperatief

    • jij koketteer
    • jullie koketteert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van koketteren