Vervoeging van kruisen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kruis
    • jij kruist
    • hij/zij/het kruist
    • wij kruisen
    • jullie kruisen
    • zij kruisen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kruiste
    • jij kruiste
    • hij/zij/het kruiste
    • wij kruisten
    • jullie kruisten
    • zij kruisten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gekruist
    • jij hebt gekruist
    • hij/zij/het heeft gekruist
    • wij hebben gekruist
    • jullie hebben gekruist
    • zij hebben gekruist
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gekruist
    • jij had gekruist
    • hij/zij/het had gekruist
    • wij hadden gekruist
    • jullie hadden gekruist
    • zij hadden gekruist
  • Toekomende tijd I

    • ik zal kruisen
    • jij zult kruisen
    • hij/zij/het zal kruisen
    • wij zullen kruisen
    • jullie zullen kruisen
    • zij zullen kruisen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekruist hebben
    • jij zult gekruist hebben
    • hij/zij/het zal gekruist hebben
    • wij zullen gekruist hebben
    • jullie zullen gekruist hebben
    • zij zullen gekruist hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou kruisen
    • jij zou kruisen
    • hij/zij/het zou kruisen
    • wij zouden kruisen
    • jullie zouden kruisen
    • zij zouden kruisen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gekruist
    • jij zou hebben gekruist
    • hij/zij/het zou hebben gekruist
    • wij zouden hebben gekruist
    • jullie zouden hebben gekruist
    • zij zouden hebben gekruist
  • Imperatief

    • jij kruis
    • jullie kruist

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van kruisen