Vervoeging van kruisigen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kruisig
    • jij kruisigt
    • hij/zij/het kruisigt
    • wij kruisigen
    • jullie kruisigen
    • zij kruisigen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kruisigde
    • jij kruisigde
    • hij/zij/het kruisigde
    • wij kruisigden
    • jullie kruisigden
    • zij kruisigden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gekruisigd
    • jij hebt gekruisigd
    • hij/zij/het heeft gekruisigd
    • wij hebben gekruisigd
    • jullie hebben gekruisigd
    • zij hebben gekruisigd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gekruisigd
    • jij had gekruisigd
    • hij/zij/het had gekruisigd
    • wij hadden gekruisigd
    • jullie hadden gekruisigd
    • zij hadden gekruisigd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal kruisigen
    • jij zult kruisigen
    • hij/zij/het zal kruisigen
    • wij zullen kruisigen
    • jullie zullen kruisigen
    • zij zullen kruisigen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekruisigd hebben
    • jij zult gekruisigd hebben
    • hij/zij/het zal gekruisigd hebben
    • wij zullen gekruisigd hebben
    • jullie zullen gekruisigd hebben
    • zij zullen gekruisigd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou kruisigen
    • jij zou kruisigen
    • hij/zij/het zou kruisigen
    • wij zouden kruisigen
    • jullie zouden kruisigen
    • zij zouden kruisigen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gekruisigd
    • jij zou hebben gekruisigd
    • hij/zij/het zou hebben gekruisigd
    • wij zouden hebben gekruisigd
    • jullie zouden hebben gekruisigd
    • zij zouden hebben gekruisigd
  • Imperatief

    • jij kruisig
    • jullie kruisigt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van kruisigen