Vervoeging van lappen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik lap
    • jij lapt
    • hij/zij/het lapt
    • wij lappen
    • jullie lappen
    • zij lappen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik lapte
    • jij lapte
    • hij/zij/het lapte
    • wij lapten
    • jullie lapten
    • zij lapten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gelapt
    • jij hebt gelapt
    • hij/zij/het heeft gelapt
    • wij hebben gelapt
    • jullie hebben gelapt
    • zij hebben gelapt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gelapt
    • jij had gelapt
    • hij/zij/het had gelapt
    • wij hadden gelapt
    • jullie hadden gelapt
    • zij hadden gelapt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal lappen
    • jij zult lappen
    • hij/zij/het zal lappen
    • wij zullen lappen
    • jullie zullen lappen
    • zij zullen lappen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gelapt hebben
    • jij zult gelapt hebben
    • hij/zij/het zal gelapt hebben
    • wij zullen gelapt hebben
    • jullie zullen gelapt hebben
    • zij zullen gelapt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou lappen
    • jij zou lappen
    • hij/zij/het zou lappen
    • wij zouden lappen
    • jullie zouden lappen
    • zij zouden lappen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gelapt
    • jij zou hebben gelapt
    • hij/zij/het zou hebben gelapt
    • wij zouden hebben gelapt
    • jullie zouden hebben gelapt
    • zij zouden hebben gelapt
  • Imperatief

    • jij lap
    • jullie lapt

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van lappen