Vervoeging van leiden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik leid
    • jij leidt
    • hij/zij/het leidt
    • wij leiden
    • jullie leiden
    • zij leiden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik leidde
    • jij leidde
    • hij/zij/het leidde
    • wij leidden
    • jullie leidden
    • zij leidden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geleid
    • jij hebt geleid
    • hij/zij/het heeft geleid
    • wij hebben geleid
    • jullie hebben geleid
    • zij hebben geleid
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geleid
    • jij had geleid
    • hij/zij/het had geleid
    • wij hadden geleid
    • jullie hadden geleid
    • zij hadden geleid
  • Toekomende tijd I

    • ik zal leiden
    • jij zult leiden
    • hij/zij/het zal leiden
    • wij zullen leiden
    • jullie zullen leiden
    • zij zullen leiden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geleid hebben
    • jij zult geleid hebben
    • hij/zij/het zal geleid hebben
    • wij zullen geleid hebben
    • jullie zullen geleid hebben
    • zij zullen geleid hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou leiden
    • jij zou leiden
    • hij/zij/het zou leiden
    • wij zouden leiden
    • jullie zouden leiden
    • zij zouden leiden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geleid
    • jij zou hebben geleid
    • hij/zij/het zou hebben geleid
    • wij zouden hebben geleid
    • jullie zouden hebben geleid
    • zij zouden hebben geleid
  • Imperatief

    • jij leid
    • jullie leidt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van leiden