Vervoeging van lijmen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik lijm
    • jij lijmt
    • hij/zij/het lijmt
    • wij lijmen
    • jullie lijmen
    • zij lijmen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik lijmde
    • jij lijmde
    • hij/zij/het lijmde
    • wij lijmden
    • jullie lijmden
    • zij lijmden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gelijmd
    • jij hebt gelijmd
    • hij/zij/het heeft gelijmd
    • wij hebben gelijmd
    • jullie hebben gelijmd
    • zij hebben gelijmd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gelijmd
    • jij had gelijmd
    • hij/zij/het had gelijmd
    • wij hadden gelijmd
    • jullie hadden gelijmd
    • zij hadden gelijmd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal lijmen
    • jij zult lijmen
    • hij/zij/het zal lijmen
    • wij zullen lijmen
    • jullie zullen lijmen
    • zij zullen lijmen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gelijmd hebben
    • jij zult gelijmd hebben
    • hij/zij/het zal gelijmd hebben
    • wij zullen gelijmd hebben
    • jullie zullen gelijmd hebben
    • zij zullen gelijmd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou lijmen
    • jij zou lijmen
    • hij/zij/het zou lijmen
    • wij zouden lijmen
    • jullie zouden lijmen
    • zij zouden lijmen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gelijmd
    • jij zou hebben gelijmd
    • hij/zij/het zou hebben gelijmd
    • wij zouden hebben gelijmd
    • jullie zouden hebben gelijmd
    • zij zouden hebben gelijmd
  • Imperatief

    • jij lijm
    • jullie lijmt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van lijmen