Vervoeging van liquideren

Onbepaalde wijs (infinitief): liquideren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik liquideer
    • jij liquideert
    • hij/zij/het liquideert
    • wij liquideren
    • jullie liquideren
    • zij liquideren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik liquideerde
    • jij liquideerde
    • hij/zij/het liquideerde
    • wij liquideerden
    • jullie liquideerden
    • zij liquideerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geliquideerd
    • jij hebt geliquideerd
    • hij/zij/het heeft geliquideerd
    • wij hebben geliquideerd
    • jullie hebben geliquideerd
    • zij hebben geliquideerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geliquideerd
    • jij had geliquideerd
    • hij/zij/het had geliquideerd
    • wij hadden geliquideerd
    • jullie hadden geliquideerd
    • zij hadden geliquideerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal liquideren
    • jij zult liquideren
    • hij/zij/het zal liquideren
    • wij zullen liquideren
    • jullie zullen liquideren
    • zij zullen liquideren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geliquideerd hebben
    • jij zult geliquideerd hebben
    • hij/zij/het zal geliquideerd hebben
    • wij zullen geliquideerd hebben
    • jullie zullen geliquideerd hebben
    • zij zullen geliquideerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou liquideren
    • jij zou liquideren
    • hij/zij/het zou liquideren
    • wij zouden liquideren
    • jullie zouden liquideren
    • zij zouden liquideren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geliquideerd
    • jij zou hebben geliquideerd
    • hij/zij/het zou hebben geliquideerd
    • wij zouden hebben geliquideerd
    • jullie zouden hebben geliquideerd
    • zij zouden hebben geliquideerd
  • Imperatief

    • jij liquideer
    • jullie liquideert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van liquideren