Vervoeging van loggen
Onvoltooid tegenwoordige tijd
- ik log
- jij logt
- hij/zij/het logt
- wij loggen
- jullie loggen
- zij loggen
Onvoltooid verleden tijd
- ik logde
- jij logde
- hij/zij/het logde
- wij logden
- jullie logden
- zij logden
Voltooid tegenwoordige tijd
- ik heb gelogd
- jij hebt gelogd
- hij/zij/het heeft gelogd
- wij hebben gelogd
- jullie hebben gelogd
- zij hebben gelogd
Voltooid verleden tijd
- ik had gelogd
- jij had gelogd
- hij/zij/het had gelogd
- wij hadden gelogd
- jullie hadden gelogd
- zij hadden gelogd
Toekomende tijd I
- ik zal loggen
- jij zult loggen
- hij/zij/het zal loggen
- wij zullen loggen
- jullie zullen loggen
- zij zullen loggen
Toekomende tijd II
- ik zal gelogd hebben
- jij zult gelogd hebben
- hij/zij/het zal gelogd hebben
- wij zullen gelogd hebben
- jullie zullen gelogd hebben
- zij zullen gelogd hebben
Conditionalis I
- ik zou loggen
- jij zou loggen
- hij/zij/het zou loggen
- wij zouden loggen
- jullie zouden loggen
- zij zouden loggen
Conditionalis II
- ik zou hebben gelogd
- jij zou hebben gelogd
- hij/zij/het zou hebben gelogd
- wij zouden hebben gelogd
- jullie zouden hebben gelogd
- zij zouden hebben gelogd
Imperatief
- jij log
- jullie logt