Vervoeging van meanderen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik meander
    • jij meandert
    • hij/zij/het meandert
    • wij meanderen
    • jullie meanderen
    • zij meanderen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik meanderde
    • jij meanderde
    • hij/zij/het meanderde
    • wij meanderden
    • jullie meanderden
    • zij meanderden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gemeanderd
    • jij hebt gemeanderd
    • hij/zij/het heeft gemeanderd
    • wij hebben gemeanderd
    • jullie hebben gemeanderd
    • zij hebben gemeanderd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gemeanderd
    • jij had gemeanderd
    • hij/zij/het had gemeanderd
    • wij hadden gemeanderd
    • jullie hadden gemeanderd
    • zij hadden gemeanderd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal meanderen
    • jij zult meanderen
    • hij/zij/het zal meanderen
    • wij zullen meanderen
    • jullie zullen meanderen
    • zij zullen meanderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gemeanderd hebben
    • jij zult gemeanderd hebben
    • hij/zij/het zal gemeanderd hebben
    • wij zullen gemeanderd hebben
    • jullie zullen gemeanderd hebben
    • zij zullen gemeanderd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou meanderen
    • jij zou meanderen
    • hij/zij/het zou meanderen
    • wij zouden meanderen
    • jullie zouden meanderen
    • zij zouden meanderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gemeanderd
    • jij zou hebben gemeanderd
    • hij/zij/het zou hebben gemeanderd
    • wij zouden hebben gemeanderd
    • jullie zouden hebben gemeanderd
    • zij zouden hebben gemeanderd
  • Imperatief

    • jij meander
    • jullie meandert