Vervoeging van metselen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik metsel
    • jij metselt
    • hij/zij/het metselt
    • wij metselen
    • jullie metselen
    • zij metselen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik metselde
    • jij metselde
    • hij/zij/het metselde
    • wij metselden
    • jullie metselden
    • zij metselden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gemetseld
    • jij hebt gemetseld
    • hij/zij/het heeft gemetseld
    • wij hebben gemetseld
    • jullie hebben gemetseld
    • zij hebben gemetseld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gemetseld
    • jij had gemetseld
    • hij/zij/het had gemetseld
    • wij hadden gemetseld
    • jullie hadden gemetseld
    • zij hadden gemetseld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal metselen
    • jij zult metselen
    • hij/zij/het zal metselen
    • wij zullen metselen
    • jullie zullen metselen
    • zij zullen metselen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gemetseld hebben
    • jij zult gemetseld hebben
    • hij/zij/het zal gemetseld hebben
    • wij zullen gemetseld hebben
    • jullie zullen gemetseld hebben
    • zij zullen gemetseld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou metselen
    • jij zou metselen
    • hij/zij/het zou metselen
    • wij zouden metselen
    • jullie zouden metselen
    • zij zouden metselen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gemetseld
    • jij zou hebben gemetseld
    • hij/zij/het zou hebben gemetseld
    • wij zouden hebben gemetseld
    • jullie zouden hebben gemetseld
    • zij zouden hebben gemetseld
  • Imperatief

    • jij metsel
    • jullie metselt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van metselen