Vervoeging van nabestellen

Onbepaalde wijs (infinitief): nabestellen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bestel na
    • jij bestelt na
    • hij/zij/het bestelt na
    • wij bestellen na
    • jullie bestellen na
    • zij bestellen na
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bestelde na
    • jij bestelde na
    • hij/zij/het bestelde na
    • wij bestelden na
    • jullie bestelden na
    • zij bestelden na
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb nabesteld
    • jij hebt nabesteld
    • hij/zij/het heeft nabesteld
    • wij hebben nabesteld
    • jullie hebben nabesteld
    • zij hebben nabesteld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had nabesteld
    • jij had nabesteld
    • hij/zij/het had nabesteld
    • wij hadden nabesteld
    • jullie hadden nabesteld
    • zij hadden nabesteld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal nabestellen
    • jij zult nabestellen
    • hij/zij/het zal nabestellen
    • wij zullen nabestellen
    • jullie zullen nabestellen
    • zij zullen nabestellen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal nabesteld hebben
    • jij zult nabesteld hebben
    • hij/zij/het zal nabesteld hebben
    • wij zullen nabesteld hebben
    • jullie zullen nabesteld hebben
    • zij zullen nabesteld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou nabestellen
    • jij zou nabestellen
    • hij/zij/het zou nabestellen
    • wij zouden nabestellen
    • jullie zouden nabestellen
    • zij zouden nabestellen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben nabesteld
    • jij zou hebben nabesteld
    • hij/zij/het zou hebben nabesteld
    • wij zouden hebben nabesteld
    • jullie zouden hebben nabesteld
    • zij zouden hebben nabesteld
  • Imperatief

    • jij bestel na
    • jullie bestelt na

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van nabestellen