Vervoeging van navigeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik navigeer
    • jij navigeert
    • hij/zij/het navigeert
    • wij navigeren
    • jullie navigeren
    • zij navigeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik navigeerde
    • jij navigeerde
    • hij/zij/het navigeerde
    • wij navigeerden
    • jullie navigeerden
    • zij navigeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb genavigeerd
    • jij hebt genavigeerd
    • hij/zij/het heeft genavigeerd
    • wij hebben genavigeerd
    • jullie hebben genavigeerd
    • zij hebben genavigeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had genavigeerd
    • jij had genavigeerd
    • hij/zij/het had genavigeerd
    • wij hadden genavigeerd
    • jullie hadden genavigeerd
    • zij hadden genavigeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal navigeren
    • jij zult navigeren
    • hij/zij/het zal navigeren
    • wij zullen navigeren
    • jullie zullen navigeren
    • zij zullen navigeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal genavigeerd hebben
    • jij zult genavigeerd hebben
    • hij/zij/het zal genavigeerd hebben
    • wij zullen genavigeerd hebben
    • jullie zullen genavigeerd hebben
    • zij zullen genavigeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou navigeren
    • jij zou navigeren
    • hij/zij/het zou navigeren
    • wij zouden navigeren
    • jullie zouden navigeren
    • zij zouden navigeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben genavigeerd
    • jij zou hebben genavigeerd
    • hij/zij/het zou hebben genavigeerd
    • wij zouden hebben genavigeerd
    • jullie zouden hebben genavigeerd
    • zij zouden hebben genavigeerd
  • Imperatief

    • jij navigeer
    • jullie navigeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van navigeren