Vervoeging van neerzetten

Onbepaalde wijs (infinitief): neerzetten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik zet neer
    • jij zet neer
    • hij/zij/het zet neer
    • wij zetten neer
    • jullie zetten neer
    • zij zetten neer
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik zette neer
    • jij zette neer
    • hij/zij/het zette neer
    • wij zetten neer
    • jullie zetten neer
    • zij zetten neer
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb neergezet
    • jij hebt neergezet
    • hij/zij/het heeft neergezet
    • wij hebben neergezet
    • jullie hebben neergezet
    • zij hebben neergezet
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had neergezet
    • jij had neergezet
    • hij/zij/het had neergezet
    • wij hadden neergezet
    • jullie hadden neergezet
    • zij hadden neergezet
  • Toekomende tijd I

    • ik zal neerzetten
    • jij zult neerzetten
    • hij/zij/het zal neerzetten
    • wij zullen neerzetten
    • jullie zullen neerzetten
    • zij zullen neerzetten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal neergezet hebben
    • jij zult neergezet hebben
    • hij/zij/het zal neergezet hebben
    • wij zullen neergezet hebben
    • jullie zullen neergezet hebben
    • zij zullen neergezet hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou neerzetten
    • jij zou neerzetten
    • hij/zij/het zou neerzetten
    • wij zouden neerzetten
    • jullie zouden neerzetten
    • zij zouden neerzetten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben neergezet
    • jij zou hebben neergezet
    • hij/zij/het zou hebben neergezet
    • wij zouden hebben neergezet
    • jullie zouden hebben neergezet
    • zij zouden hebben neergezet
  • Imperatief

    • jij zet neer
    • jullie zet neer

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van neerzetten