Vervoeging van obsederen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik obsedeer
    • jij obsedeert
    • hij/zij/het obsedeert
    • wij obsederen
    • jullie obsederen
    • zij obsederen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik obsedeerde
    • jij obsedeerde
    • hij/zij/het obsedeerde
    • wij obsedeerden
    • jullie obsedeerden
    • zij obsedeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geöbsedeerd
    • jij hebt geöbsedeerd
    • hij/zij/het heeft geöbsedeerd
    • wij hebben geöbsedeerd
    • jullie hebben geöbsedeerd
    • zij hebben geöbsedeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geöbsedeerd
    • jij had geöbsedeerd
    • hij/zij/het had geöbsedeerd
    • wij hadden geöbsedeerd
    • jullie hadden geöbsedeerd
    • zij hadden geöbsedeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal obsederen
    • jij zult obsederen
    • hij/zij/het zal obsederen
    • wij zullen obsederen
    • jullie zullen obsederen
    • zij zullen obsederen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geöbsedeerd hebben
    • jij zult geöbsedeerd hebben
    • hij/zij/het zal geöbsedeerd hebben
    • wij zullen geöbsedeerd hebben
    • jullie zullen geöbsedeerd hebben
    • zij zullen geöbsedeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou obsederen
    • jij zou obsederen
    • hij/zij/het zou obsederen
    • wij zouden obsederen
    • jullie zouden obsederen
    • zij zouden obsederen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geöbsedeerd
    • jij zou hebben geöbsedeerd
    • hij/zij/het zou hebben geöbsedeerd
    • wij zouden hebben geöbsedeerd
    • jullie zouden hebben geöbsedeerd
    • zij zouden hebben geöbsedeerd
  • Imperatief

    • jij obsedeer
    • jullie obsedeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van obsederen