Vervoeging van omklemmen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik omklem
    • jij omklemt
    • hij/zij/het omklemt
    • wij omklemmen
    • jullie omklemmen
    • zij omklemmen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik omklemde
    • jij omklemde
    • hij/zij/het omklemde
    • wij omklemden
    • jullie omklemden
    • zij omklemden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omklemd
    • jij hebt omklemd
    • hij/zij/het heeft omklemd
    • wij hebben omklemd
    • jullie hebben omklemd
    • zij hebben omklemd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omklemd
    • jij had omklemd
    • hij/zij/het had omklemd
    • wij hadden omklemd
    • jullie hadden omklemd
    • zij hadden omklemd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal omklemmen
    • jij zult omklemmen
    • hij/zij/het zal omklemmen
    • wij zullen omklemmen
    • jullie zullen omklemmen
    • zij zullen omklemmen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omklemd hebben
    • jij zult omklemd hebben
    • hij/zij/het zal omklemd hebben
    • wij zullen omklemd hebben
    • jullie zullen omklemd hebben
    • zij zullen omklemd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou omklemmen
    • jij zou omklemmen
    • hij/zij/het zou omklemmen
    • wij zouden omklemmen
    • jullie zouden omklemmen
    • zij zouden omklemmen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omklemd
    • jij zou hebben omklemd
    • hij/zij/het zou hebben omklemd
    • wij zouden hebben omklemd
    • jullie zouden hebben omklemd
    • zij zouden hebben omklemd
  • Imperatief

    • jij omklem
    • jullie omklemt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van omklemmen