Vervoeging van omleggen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik leg om
    • jij legt om
    • hij/zij/het legt om
    • wij leggen om
    • jullie leggen om
    • zij leggen om
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik legde om
    • jij legde om
    • hij/zij/het legde om
    • wij legden om
    • jullie legden om
    • zij legden om
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omgelegd
    • jij hebt omgelegd
    • hij/zij/het heeft omgelegd
    • wij hebben omgelegd
    • jullie hebben omgelegd
    • zij hebben omgelegd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omgelegd
    • jij had omgelegd
    • hij/zij/het had omgelegd
    • wij hadden omgelegd
    • jullie hadden omgelegd
    • zij hadden omgelegd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal omleggen
    • jij zult omleggen
    • hij/zij/het zal omleggen
    • wij zullen omleggen
    • jullie zullen omleggen
    • zij zullen omleggen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omgelegd hebben
    • jij zult omgelegd hebben
    • hij/zij/het zal omgelegd hebben
    • wij zullen omgelegd hebben
    • jullie zullen omgelegd hebben
    • zij zullen omgelegd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou omleggen
    • jij zou omleggen
    • hij/zij/het zou omleggen
    • wij zouden omleggen
    • jullie zouden omleggen
    • zij zouden omleggen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omgelegd
    • jij zou hebben omgelegd
    • hij/zij/het zou hebben omgelegd
    • wij zouden hebben omgelegd
    • jullie zouden hebben omgelegd
    • zij zouden hebben omgelegd
  • Imperatief

    • jij leg om
    • jullie legt om

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van omleggen