Vervoeging van omlopen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik loop om
    • jij loopt om
    • hij/zij/het loopt om
    • wij lopen om
    • jullie lopen om
    • zij lopen om
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik liep om
    • jij liep om
    • hij/zij/het liep om
    • wij liepen om
    • jullie liepen om
    • zij liepen om
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omgelopen
    • jij hebt omgelopen
    • hij/zij/het heeft omgelopen
    • wij hebben omgelopen
    • jullie hebben omgelopen
    • zij hebben omgelopen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omgelopen
    • jij had omgelopen
    • hij/zij/het had omgelopen
    • wij hadden omgelopen
    • jullie hadden omgelopen
    • zij hadden omgelopen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal omlopen
    • jij zult omlopen
    • hij/zij/het zal omlopen
    • wij zullen omlopen
    • jullie zullen omlopen
    • zij zullen omlopen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omgelopen hebben
    • jij zult omgelopen hebben
    • hij/zij/het zal omgelopen hebben
    • wij zullen omgelopen hebben
    • jullie zullen omgelopen hebben
    • zij zullen omgelopen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou omlopen
    • jij zou omlopen
    • hij/zij/het zou omlopen
    • wij zouden omlopen
    • jullie zouden omlopen
    • zij zouden omlopen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omgelopen
    • jij zou hebben omgelopen
    • hij/zij/het zou hebben omgelopen
    • wij zouden hebben omgelopen
    • jullie zouden hebben omgelopen
    • zij zouden hebben omgelopen
  • Imperatief

    • jij loop om
    • jullie loopt om

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van omlopen