Vervoeging van omzeilen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik omzeil
    • jij omzeilt
    • hij/zij/het omzeilt
    • wij omzeilen
    • jullie omzeilen
    • zij omzeilen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik omzeilde
    • jij omzeilde
    • hij/zij/het omzeilde
    • wij omzeilden
    • jullie omzeilden
    • zij omzeilden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omzeild
    • jij hebt omzeild
    • hij/zij/het heeft omzeild
    • wij hebben omzeild
    • jullie hebben omzeild
    • zij hebben omzeild
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omzeild
    • jij had omzeild
    • hij/zij/het had omzeild
    • wij hadden omzeild
    • jullie hadden omzeild
    • zij hadden omzeild
  • Toekomende tijd I

    • ik zal omzeilen
    • jij zult omzeilen
    • hij/zij/het zal omzeilen
    • wij zullen omzeilen
    • jullie zullen omzeilen
    • zij zullen omzeilen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omzeild hebben
    • jij zult omzeild hebben
    • hij/zij/het zal omzeild hebben
    • wij zullen omzeild hebben
    • jullie zullen omzeild hebben
    • zij zullen omzeild hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou omzeilen
    • jij zou omzeilen
    • hij/zij/het zou omzeilen
    • wij zouden omzeilen
    • jullie zouden omzeilen
    • zij zouden omzeilen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omzeild
    • jij zou hebben omzeild
    • hij/zij/het zou hebben omzeild
    • wij zouden hebben omzeild
    • jullie zouden hebben omzeild
    • zij zouden hebben omzeild
  • Imperatief

    • jij omzeil
    • jullie omzeilt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van omzeilen