Vervoeging van ontcijferen

Onbepaalde wijs (infinitief): ontcijferen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ontcijfer
    • jij ontcijfert
    • hij/zij/het ontcijfert
    • wij ontcijferen
    • jullie ontcijferen
    • zij ontcijferen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ontcijferde
    • jij ontcijferde
    • hij/zij/het ontcijferde
    • wij ontcijferden
    • jullie ontcijferden
    • zij ontcijferden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ontcijferd
    • jij hebt ontcijferd
    • hij/zij/het heeft ontcijferd
    • wij hebben ontcijferd
    • jullie hebben ontcijferd
    • zij hebben ontcijferd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ontcijferd
    • jij had ontcijferd
    • hij/zij/het had ontcijferd
    • wij hadden ontcijferd
    • jullie hadden ontcijferd
    • zij hadden ontcijferd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ontcijferen
    • jij zult ontcijferen
    • hij/zij/het zal ontcijferen
    • wij zullen ontcijferen
    • jullie zullen ontcijferen
    • zij zullen ontcijferen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ontcijferd hebben
    • jij zult ontcijferd hebben
    • hij/zij/het zal ontcijferd hebben
    • wij zullen ontcijferd hebben
    • jullie zullen ontcijferd hebben
    • zij zullen ontcijferd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ontcijferen
    • jij zou ontcijferen
    • hij/zij/het zou ontcijferen
    • wij zouden ontcijferen
    • jullie zouden ontcijferen
    • zij zouden ontcijferen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ontcijferd
    • jij zou hebben ontcijferd
    • hij/zij/het zou hebben ontcijferd
    • wij zouden hebben ontcijferd
    • jullie zouden hebben ontcijferd
    • zij zouden hebben ontcijferd
  • Imperatief

    • jij ontcijfer
    • jullie ontcijfert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van ontcijferen