Vervoeging van openvliegen

Onbepaalde wijs (infinitief): openvliegen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het vliegt open
    • zij vliegen open
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het vloog open
    • zij vlogen open
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het is opengevlogen
    • zij zijn opengevlogen
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het was opengevlogen
    • zij waren opengevlogen
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal openvliegen
    • zij zult openvliegen
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal opengevlogen zijn
    • zij zult opengevlogen zijn
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal openvliegen
    • zij zullen openvliegen
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal zijn opengevlogen
    • zij zullen zijn opengevlogen