Vervoeging van opladen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik laad op
    • jij laadt op
    • hij/zij/het laadt op
    • wij laden op
    • jullie laden op
    • zij laden op
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik laadde op
    • jij laadde op
    • hij/zij/het laadde op
    • wij laadden op
    • jullie laadden op
    • zij laadden op
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb opgeladen
    • jij hebt opgeladen
    • hij/zij/het heeft opgeladen
    • wij hebben opgeladen
    • jullie hebben opgeladen
    • zij hebben opgeladen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had opgeladen
    • jij had opgeladen
    • hij/zij/het had opgeladen
    • wij hadden opgeladen
    • jullie hadden opgeladen
    • zij hadden opgeladen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal opladen
    • jij zult opladen
    • hij/zij/het zal opladen
    • wij zullen opladen
    • jullie zullen opladen
    • zij zullen opladen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal opgeladen hebben
    • jij zult opgeladen hebben
    • hij/zij/het zal opgeladen hebben
    • wij zullen opgeladen hebben
    • jullie zullen opgeladen hebben
    • zij zullen opgeladen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou opladen
    • jij zou opladen
    • hij/zij/het zou opladen
    • wij zouden opladen
    • jullie zouden opladen
    • zij zouden opladen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben opgeladen
    • jij zou hebben opgeladen
    • hij/zij/het zou hebben opgeladen
    • wij zouden hebben opgeladen
    • jullie zouden hebben opgeladen
    • zij zouden hebben opgeladen
  • Imperatief

    • jij laad op
    • jullie laadt op

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van opladen