Vervoeging van opschuiven

Onbepaalde wijs (infinitief): opschuiven


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schuif op
    • jij schuift op
    • hij/zij/het schuift op
    • wij schuiven op
    • jullie schuiven op
    • zij schuiven op
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schoof op
    • jij schoof op
    • hij/zij/het schoof op
    • wij schoven op
    • jullie schoven op
    • zij schoven op
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb opgeschoven
    • jij hebt opgeschoven
    • hij/zij/het heeft opgeschoven
    • wij hebben opgeschoven
    • jullie hebben opgeschoven
    • zij hebben opgeschoven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had opgeschoven
    • jij had opgeschoven
    • hij/zij/het had opgeschoven
    • wij hadden opgeschoven
    • jullie hadden opgeschoven
    • zij hadden opgeschoven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal opschuiven
    • jij zult opschuiven
    • hij/zij/het zal opschuiven
    • wij zullen opschuiven
    • jullie zullen opschuiven
    • zij zullen opschuiven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal opgeschoven hebben
    • jij zult opgeschoven hebben
    • hij/zij/het zal opgeschoven hebben
    • wij zullen opgeschoven hebben
    • jullie zullen opgeschoven hebben
    • zij zullen opgeschoven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou opschuiven
    • jij zou opschuiven
    • hij/zij/het zou opschuiven
    • wij zouden opschuiven
    • jullie zouden opschuiven
    • zij zouden opschuiven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben opgeschoven
    • jij zou hebben opgeschoven
    • hij/zij/het zou hebben opgeschoven
    • wij zouden hebben opgeschoven
    • jullie zouden hebben opgeschoven
    • zij zouden hebben opgeschoven
  • Imperatief

    • jij schuif op
    • jullie schuift op

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van opschuiven