Vervoeging van opvoeden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik voed op
    • jij voedt op
    • hij/zij/het voedt op
    • wij voeden op
    • jullie voeden op
    • zij voeden op
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik voedde op
    • jij voedde op
    • hij/zij/het voedde op
    • wij voedden op
    • jullie voedden op
    • zij voedden op
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb opgevoed
    • jij hebt opgevoed
    • hij/zij/het heeft opgevoed
    • wij hebben opgevoed
    • jullie hebben opgevoed
    • zij hebben opgevoed
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had opgevoed
    • jij had opgevoed
    • hij/zij/het had opgevoed
    • wij hadden opgevoed
    • jullie hadden opgevoed
    • zij hadden opgevoed
  • Toekomende tijd I

    • ik zal opvoeden
    • jij zult opvoeden
    • hij/zij/het zal opvoeden
    • wij zullen opvoeden
    • jullie zullen opvoeden
    • zij zullen opvoeden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal opgevoed hebben
    • jij zult opgevoed hebben
    • hij/zij/het zal opgevoed hebben
    • wij zullen opgevoed hebben
    • jullie zullen opgevoed hebben
    • zij zullen opgevoed hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou opvoeden
    • jij zou opvoeden
    • hij/zij/het zou opvoeden
    • wij zouden opvoeden
    • jullie zouden opvoeden
    • zij zouden opvoeden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben opgevoed
    • jij zou hebben opgevoed
    • hij/zij/het zou hebben opgevoed
    • wij zouden hebben opgevoed
    • jullie zouden hebben opgevoed
    • zij zouden hebben opgevoed
  • Imperatief

    • jij voed op
    • jullie voedt op

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van opvoeden