Vervoeging van overzetten

Onbepaalde wijs (infinitief): overzetten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik zet over
    • jij zet over
    • hij/zij/het zet over
    • wij zetten over
    • jullie zetten over
    • zij zetten over
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik zette over
    • jij zette over
    • hij/zij/het zette over
    • wij zetten over
    • jullie zetten over
    • zij zetten over
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb overgezet
    • jij hebt overgezet
    • hij/zij/het heeft overgezet
    • wij hebben overgezet
    • jullie hebben overgezet
    • zij hebben overgezet
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had overgezet
    • jij had overgezet
    • hij/zij/het had overgezet
    • wij hadden overgezet
    • jullie hadden overgezet
    • zij hadden overgezet
  • Toekomende tijd I

    • ik zal overzetten
    • jij zult overzetten
    • hij/zij/het zal overzetten
    • wij zullen overzetten
    • jullie zullen overzetten
    • zij zullen overzetten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal overgezet hebben
    • jij zult overgezet hebben
    • hij/zij/het zal overgezet hebben
    • wij zullen overgezet hebben
    • jullie zullen overgezet hebben
    • zij zullen overgezet hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou overzetten
    • jij zou overzetten
    • hij/zij/het zou overzetten
    • wij zouden overzetten
    • jullie zouden overzetten
    • zij zouden overzetten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben overgezet
    • jij zou hebben overgezet
    • hij/zij/het zou hebben overgezet
    • wij zouden hebben overgezet
    • jullie zouden hebben overgezet
    • zij zouden hebben overgezet
  • Imperatief

    • jij zet over
    • jullie zet over

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van overzetten