Vervoeging van pareren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik pareer
    • jij pareert
    • hij/zij/het pareert
    • wij pareren
    • jullie pareren
    • zij pareren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik pareerde
    • jij pareerde
    • hij/zij/het pareerde
    • wij pareerden
    • jullie pareerden
    • zij pareerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gepareerd
    • jij hebt gepareerd
    • hij/zij/het heeft gepareerd
    • wij hebben gepareerd
    • jullie hebben gepareerd
    • zij hebben gepareerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gepareerd
    • jij had gepareerd
    • hij/zij/het had gepareerd
    • wij hadden gepareerd
    • jullie hadden gepareerd
    • zij hadden gepareerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal pareren
    • jij zult pareren
    • hij/zij/het zal pareren
    • wij zullen pareren
    • jullie zullen pareren
    • zij zullen pareren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepareerd hebben
    • jij zult gepareerd hebben
    • hij/zij/het zal gepareerd hebben
    • wij zullen gepareerd hebben
    • jullie zullen gepareerd hebben
    • zij zullen gepareerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou pareren
    • jij zou pareren
    • hij/zij/het zou pareren
    • wij zouden pareren
    • jullie zouden pareren
    • zij zouden pareren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gepareerd
    • jij zou hebben gepareerd
    • hij/zij/het zou hebben gepareerd
    • wij zouden hebben gepareerd
    • jullie zouden hebben gepareerd
    • zij zouden hebben gepareerd
  • Imperatief

    • jij pareer
    • jullie pareert