Vervoeging van percuteren

Onbepaalde wijs (infinitief): percuteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik percuteer
    • jij percuteert
    • hij/zij/het percuteert
    • wij percuteren
    • jullie percuteren
    • zij percuteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik percuteerde
    • jij percuteerde
    • hij/zij/het percuteerde
    • wij percuteerden
    • jullie percuteerden
    • zij percuteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gepercuteerd
    • jij hebt gepercuteerd
    • hij/zij/het heeft gepercuteerd
    • wij hebben gepercuteerd
    • jullie hebben gepercuteerd
    • zij hebben gepercuteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gepercuteerd
    • jij had gepercuteerd
    • hij/zij/het had gepercuteerd
    • wij hadden gepercuteerd
    • jullie hadden gepercuteerd
    • zij hadden gepercuteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal percuteren
    • jij zult percuteren
    • hij/zij/het zal percuteren
    • wij zullen percuteren
    • jullie zullen percuteren
    • zij zullen percuteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepercuteerd hebben
    • jij zult gepercuteerd hebben
    • hij/zij/het zal gepercuteerd hebben
    • wij zullen gepercuteerd hebben
    • jullie zullen gepercuteerd hebben
    • zij zullen gepercuteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou percuteren
    • jij zou percuteren
    • hij/zij/het zou percuteren
    • wij zouden percuteren
    • jullie zouden percuteren
    • zij zouden percuteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gepercuteerd
    • jij zou hebben gepercuteerd
    • hij/zij/het zou hebben gepercuteerd
    • wij zouden hebben gepercuteerd
    • jullie zouden hebben gepercuteerd
    • zij zouden hebben gepercuteerd
  • Imperatief

    • jij percuteer
    • jullie percuteert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van percuteren