Vervoeging van piketten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik piket
    • jij piket
    • hij/zij/het piket
    • wij piketten
    • jullie piketten
    • zij piketten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik pikette
    • jij pikette
    • hij/zij/het pikette
    • wij piketten
    • jullie piketten
    • zij piketten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gepiket
    • jij hebt gepiket
    • hij/zij/het heeft gepiket
    • wij hebben gepiket
    • jullie hebben gepiket
    • zij hebben gepiket
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gepiket
    • jij had gepiket
    • hij/zij/het had gepiket
    • wij hadden gepiket
    • jullie hadden gepiket
    • zij hadden gepiket
  • Toekomende tijd I

    • ik zal piketten
    • jij zult piketten
    • hij/zij/het zal piketten
    • wij zullen piketten
    • jullie zullen piketten
    • zij zullen piketten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepiket hebben
    • jij zult gepiket hebben
    • hij/zij/het zal gepiket hebben
    • wij zullen gepiket hebben
    • jullie zullen gepiket hebben
    • zij zullen gepiket hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou piketten
    • jij zou piketten
    • hij/zij/het zou piketten
    • wij zouden piketten
    • jullie zouden piketten
    • zij zouden piketten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gepiket
    • jij zou hebben gepiket
    • hij/zij/het zou hebben gepiket
    • wij zouden hebben gepiket
    • jullie zouden hebben gepiket
    • zij zouden hebben gepiket
  • Imperatief

    • jij piket
    • jullie piket