Vervoeging van prefigureren

Onbepaalde wijs (infinitief): prefigureren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik prefigureer
    • jij prefigureert
    • hij/zij/het prefigureert
    • wij prefigureren
    • jullie prefigureren
    • zij prefigureren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik prefigureerde
    • jij prefigureerde
    • hij/zij/het prefigureerde
    • wij prefigureerden
    • jullie prefigureerden
    • zij prefigureerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geprefigureerd
    • jij hebt geprefigureerd
    • hij/zij/het heeft geprefigureerd
    • wij hebben geprefigureerd
    • jullie hebben geprefigureerd
    • zij hebben geprefigureerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geprefigureerd
    • jij had geprefigureerd
    • hij/zij/het had geprefigureerd
    • wij hadden geprefigureerd
    • jullie hadden geprefigureerd
    • zij hadden geprefigureerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal prefigureren
    • jij zult prefigureren
    • hij/zij/het zal prefigureren
    • wij zullen prefigureren
    • jullie zullen prefigureren
    • zij zullen prefigureren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geprefigureerd hebben
    • jij zult geprefigureerd hebben
    • hij/zij/het zal geprefigureerd hebben
    • wij zullen geprefigureerd hebben
    • jullie zullen geprefigureerd hebben
    • zij zullen geprefigureerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou prefigureren
    • jij zou prefigureren
    • hij/zij/het zou prefigureren
    • wij zouden prefigureren
    • jullie zouden prefigureren
    • zij zouden prefigureren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geprefigureerd
    • jij zou hebben geprefigureerd
    • hij/zij/het zou hebben geprefigureerd
    • wij zouden hebben geprefigureerd
    • jullie zouden hebben geprefigureerd
    • zij zouden hebben geprefigureerd
  • Imperatief

    • jij prefigureer
    • jullie prefigureert