Vervoeging van prijken

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het prijkt
    • zij prijken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het prijkte
    • zij prijkten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het heeft geprijkt
    • zij hebben geprijkt
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het had geprijkt
    • zij hadden geprijkt
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal prijken
    • zij zult prijken
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal geprijkt hebben
    • zij zult geprijkt hebben
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal prijken
    • zij zullen prijken
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal hebben geprijkt
    • zij zullen hebben geprijkt