Vervoeging van ratelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ratel
    • jij ratelt
    • hij/zij/het ratelt
    • wij ratelen
    • jullie ratelen
    • zij ratelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ratelde
    • jij ratelde
    • hij/zij/het ratelde
    • wij ratelden
    • jullie ratelden
    • zij ratelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gerateld
    • jij hebt gerateld
    • hij/zij/het heeft gerateld
    • wij hebben gerateld
    • jullie hebben gerateld
    • zij hebben gerateld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gerateld
    • jij had gerateld
    • hij/zij/het had gerateld
    • wij hadden gerateld
    • jullie hadden gerateld
    • zij hadden gerateld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ratelen
    • jij zult ratelen
    • hij/zij/het zal ratelen
    • wij zullen ratelen
    • jullie zullen ratelen
    • zij zullen ratelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gerateld hebben
    • jij zult gerateld hebben
    • hij/zij/het zal gerateld hebben
    • wij zullen gerateld hebben
    • jullie zullen gerateld hebben
    • zij zullen gerateld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ratelen
    • jij zou ratelen
    • hij/zij/het zou ratelen
    • wij zouden ratelen
    • jullie zouden ratelen
    • zij zouden ratelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gerateld
    • jij zou hebben gerateld
    • hij/zij/het zou hebben gerateld
    • wij zouden hebben gerateld
    • jullie zouden hebben gerateld
    • zij zouden hebben gerateld
  • Imperatief

    • jij ratel
    • jullie ratelt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van ratelen