Vervoeging van ravitailleren

Onbepaalde wijs (infinitief): ravitailleren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ravitailleer
    • jij ravitailleert
    • hij/zij/het ravitailleert
    • wij ravitailleren
    • jullie ravitailleren
    • zij ravitailleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ravitailleerde
    • jij ravitailleerde
    • hij/zij/het ravitailleerde
    • wij ravitailleerden
    • jullie ravitailleerden
    • zij ravitailleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geravitailleerd
    • jij hebt geravitailleerd
    • hij/zij/het heeft geravitailleerd
    • wij hebben geravitailleerd
    • jullie hebben geravitailleerd
    • zij hebben geravitailleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geravitailleerd
    • jij had geravitailleerd
    • hij/zij/het had geravitailleerd
    • wij hadden geravitailleerd
    • jullie hadden geravitailleerd
    • zij hadden geravitailleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ravitailleren
    • jij zult ravitailleren
    • hij/zij/het zal ravitailleren
    • wij zullen ravitailleren
    • jullie zullen ravitailleren
    • zij zullen ravitailleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geravitailleerd hebben
    • jij zult geravitailleerd hebben
    • hij/zij/het zal geravitailleerd hebben
    • wij zullen geravitailleerd hebben
    • jullie zullen geravitailleerd hebben
    • zij zullen geravitailleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ravitailleren
    • jij zou ravitailleren
    • hij/zij/het zou ravitailleren
    • wij zouden ravitailleren
    • jullie zouden ravitailleren
    • zij zouden ravitailleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geravitailleerd
    • jij zou hebben geravitailleerd
    • hij/zij/het zou hebben geravitailleerd
    • wij zouden hebben geravitailleerd
    • jullie zouden hebben geravitailleerd
    • zij zouden hebben geravitailleerd
  • Imperatief

    • jij ravitailleer
    • jullie ravitailleert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van ravitailleren