Vervoeging van rechthouden

Onbepaalde wijs (infinitief): rechthouden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik houd recht
    • jij houdt recht
    • hij/zij/het houdt recht
    • wij houden recht
    • jullie houden recht
    • zij houden recht
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hield recht
    • jij hield recht
    • hij/zij/het hield recht
    • wij hielden recht
    • jullie hielden recht
    • zij hielden recht
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb rechtgehouden
    • jij hebt rechtgehouden
    • hij/zij/het heeft rechtgehouden
    • wij hebben rechtgehouden
    • jullie hebben rechtgehouden
    • zij hebben rechtgehouden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had rechtgehouden
    • jij had rechtgehouden
    • hij/zij/het had rechtgehouden
    • wij hadden rechtgehouden
    • jullie hadden rechtgehouden
    • zij hadden rechtgehouden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal rechthouden
    • jij zult rechthouden
    • hij/zij/het zal rechthouden
    • wij zullen rechthouden
    • jullie zullen rechthouden
    • zij zullen rechthouden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal rechtgehouden hebben
    • jij zult rechtgehouden hebben
    • hij/zij/het zal rechtgehouden hebben
    • wij zullen rechtgehouden hebben
    • jullie zullen rechtgehouden hebben
    • zij zullen rechtgehouden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou rechthouden
    • jij zou rechthouden
    • hij/zij/het zou rechthouden
    • wij zouden rechthouden
    • jullie zouden rechthouden
    • zij zouden rechthouden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben rechtgehouden
    • jij zou hebben rechtgehouden
    • hij/zij/het zou hebben rechtgehouden
    • wij zouden hebben rechtgehouden
    • jullie zouden hebben rechtgehouden
    • zij zouden hebben rechtgehouden
  • Imperatief

    • jij houd recht
    • jullie houdt recht