Vervoeging van redigeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik redigeer
    • jij redigeert
    • hij/zij/het redigeert
    • wij redigeren
    • jullie redigeren
    • zij redigeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik redigeerde
    • jij redigeerde
    • hij/zij/het redigeerde
    • wij redigeerden
    • jullie redigeerden
    • zij redigeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geredigeerd
    • jij hebt geredigeerd
    • hij/zij/het heeft geredigeerd
    • wij hebben geredigeerd
    • jullie hebben geredigeerd
    • zij hebben geredigeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geredigeerd
    • jij had geredigeerd
    • hij/zij/het had geredigeerd
    • wij hadden geredigeerd
    • jullie hadden geredigeerd
    • zij hadden geredigeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal redigeren
    • jij zult redigeren
    • hij/zij/het zal redigeren
    • wij zullen redigeren
    • jullie zullen redigeren
    • zij zullen redigeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geredigeerd hebben
    • jij zult geredigeerd hebben
    • hij/zij/het zal geredigeerd hebben
    • wij zullen geredigeerd hebben
    • jullie zullen geredigeerd hebben
    • zij zullen geredigeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou redigeren
    • jij zou redigeren
    • hij/zij/het zou redigeren
    • wij zouden redigeren
    • jullie zouden redigeren
    • zij zouden redigeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geredigeerd
    • jij zou hebben geredigeerd
    • hij/zij/het zou hebben geredigeerd
    • wij zouden hebben geredigeerd
    • jullie zouden hebben geredigeerd
    • zij zouden hebben geredigeerd
  • Imperatief

    • jij redigeer
    • jullie redigeert