Vervoeging van redresseren

Onbepaalde wijs (infinitief): redresseren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik redresseer
    • jij redresseert
    • hij/zij/het redresseert
    • wij redresseren
    • jullie redresseren
    • zij redresseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik redresseerde
    • jij redresseerde
    • hij/zij/het redresseerde
    • wij redresseerden
    • jullie redresseerden
    • zij redresseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geredresseerd
    • jij hebt geredresseerd
    • hij/zij/het heeft geredresseerd
    • wij hebben geredresseerd
    • jullie hebben geredresseerd
    • zij hebben geredresseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geredresseerd
    • jij had geredresseerd
    • hij/zij/het had geredresseerd
    • wij hadden geredresseerd
    • jullie hadden geredresseerd
    • zij hadden geredresseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal redresseren
    • jij zult redresseren
    • hij/zij/het zal redresseren
    • wij zullen redresseren
    • jullie zullen redresseren
    • zij zullen redresseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geredresseerd hebben
    • jij zult geredresseerd hebben
    • hij/zij/het zal geredresseerd hebben
    • wij zullen geredresseerd hebben
    • jullie zullen geredresseerd hebben
    • zij zullen geredresseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou redresseren
    • jij zou redresseren
    • hij/zij/het zou redresseren
    • wij zouden redresseren
    • jullie zouden redresseren
    • zij zouden redresseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geredresseerd
    • jij zou hebben geredresseerd
    • hij/zij/het zou hebben geredresseerd
    • wij zouden hebben geredresseerd
    • jullie zouden hebben geredresseerd
    • zij zouden hebben geredresseerd
  • Imperatief

    • jij redresseer
    • jullie redresseert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van redresseren