Vervoeging van rekenen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik reken
    • jij rekent
    • hij/zij/het rekent
    • wij rekenen
    • jullie rekenen
    • zij rekenen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik rekende
    • jij rekende
    • hij/zij/het rekende
    • wij rekenden
    • jullie rekenden
    • zij rekenden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gerekend
    • jij hebt gerekend
    • hij/zij/het heeft gerekend
    • wij hebben gerekend
    • jullie hebben gerekend
    • zij hebben gerekend
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gerekend
    • jij had gerekend
    • hij/zij/het had gerekend
    • wij hadden gerekend
    • jullie hadden gerekend
    • zij hadden gerekend
  • Toekomende tijd I

    • ik zal rekenen
    • jij zult rekenen
    • hij/zij/het zal rekenen
    • wij zullen rekenen
    • jullie zullen rekenen
    • zij zullen rekenen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gerekend hebben
    • jij zult gerekend hebben
    • hij/zij/het zal gerekend hebben
    • wij zullen gerekend hebben
    • jullie zullen gerekend hebben
    • zij zullen gerekend hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou rekenen
    • jij zou rekenen
    • hij/zij/het zou rekenen
    • wij zouden rekenen
    • jullie zouden rekenen
    • zij zouden rekenen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gerekend
    • jij zou hebben gerekend
    • hij/zij/het zou hebben gerekend
    • wij zouden hebben gerekend
    • jullie zouden hebben gerekend
    • zij zouden hebben gerekend
  • Imperatief

    • jij reken
    • jullie rekent

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van rekenen