Vervoeging van rinkelen

Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het rinkelt
  • zij rinkelen

Indicativo presente

  • él/ella tintina
  • ellos/ellas tintinan

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het rinkelde
  • zij rinkelden

Indefinido

  • él/ella tintinó
  • ellos/ellas tintinaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft gerinkeld
  • zij hebben gerinkeld

Pretérito perfecto compuesto

  • él/ella ha tintinado
  • ellos/ellas han tintinado

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had gerinkeld
  • zij hadden gerinkeld

Pluscuamperfecto

  • él/ella había tintinado
  • ellos/ellas habían tintinado

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal rinkelen
  • zij zult rinkelen

Futuro I

  • él/ella tintinará
  • ellos/ellas tintinarán

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal gerinkeld hebben
  • zij zult gerinkeld hebben

Futuro perfecto

  • él/ella habrá tintinado
  • ellos/ellas habrán tintinado

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal rinkelen
  • zij zullen rinkelen

Condicional

  • él/ella tintinaría
  • ellos/ellas tintinarían

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben gerinkeld
  • zij zullen hebben gerinkeld

Condicional perfecto

  • él/ella habría tintinado
  • ellos/ellas habrían tintinado

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van rinkelen