Vervoeging van saboteren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik saboteer
    • jij saboteert
    • hij/zij/het saboteert
    • wij saboteren
    • jullie saboteren
    • zij saboteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik saboteerde
    • jij saboteerde
    • hij/zij/het saboteerde
    • wij saboteerden
    • jullie saboteerden
    • zij saboteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesaboteerd
    • jij hebt gesaboteerd
    • hij/zij/het heeft gesaboteerd
    • wij hebben gesaboteerd
    • jullie hebben gesaboteerd
    • zij hebben gesaboteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesaboteerd
    • jij had gesaboteerd
    • hij/zij/het had gesaboteerd
    • wij hadden gesaboteerd
    • jullie hadden gesaboteerd
    • zij hadden gesaboteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal saboteren
    • jij zult saboteren
    • hij/zij/het zal saboteren
    • wij zullen saboteren
    • jullie zullen saboteren
    • zij zullen saboteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesaboteerd hebben
    • jij zult gesaboteerd hebben
    • hij/zij/het zal gesaboteerd hebben
    • wij zullen gesaboteerd hebben
    • jullie zullen gesaboteerd hebben
    • zij zullen gesaboteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou saboteren
    • jij zou saboteren
    • hij/zij/het zou saboteren
    • wij zouden saboteren
    • jullie zouden saboteren
    • zij zouden saboteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesaboteerd
    • jij zou hebben gesaboteerd
    • hij/zij/het zou hebben gesaboteerd
    • wij zouden hebben gesaboteerd
    • jullie zouden hebben gesaboteerd
    • zij zouden hebben gesaboteerd
  • Imperatief

    • jij saboteer
    • jullie saboteert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van saboteren