Vervoeging van samendrommen

Onbepaalde wijs (infinitief): samendrommen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik drom samen
    • jij dromt samen
    • hij/zij/het dromt samen
    • wij drommen samen
    • jullie drommen samen
    • zij drommen samen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik dromde samen
    • jij dromde samen
    • hij/zij/het dromde samen
    • wij dromden samen
    • jullie dromden samen
    • zij dromden samen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben samengedromd
    • jij bent samengedromd
    • hij/zij/het is samengedromd
    • wij zijn samengedromd
    • jullie zijn samengedromd
    • zij zijn samengedromd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was samengedromd
    • jij was samengedromd
    • hij/zij/het was samengedromd
    • wij waren samengedromd
    • jullie waren samengedromd
    • zij waren samengedromd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal samendrommen
    • jij zult samendrommen
    • hij/zij/het zal samendrommen
    • wij zullen samendrommen
    • jullie zullen samendrommen
    • zij zullen samendrommen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal samengedromd zijn
    • jij zult samengedromd zijn
    • hij/zij/het zal samengedromd zijn
    • wij zullen samengedromd zijn
    • jullie zullen samengedromd zijn
    • zij zullen samengedromd zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou samendrommen
    • jij zou samendrommen
    • hij/zij/het zou samendrommen
    • wij zouden samendrommen
    • jullie zouden samendrommen
    • zij zouden samendrommen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn samengedromd
    • jij zou zijn samengedromd
    • hij/zij/het zou zijn samengedromd
    • wij zouden zijn samengedromd
    • jullie zouden zijn samengedromd
    • zij zouden zijn samengedromd
  • Imperatief

    • jij drom samen
    • jullie dromt samen

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van samendrommen