Vervoeging van samentrekken

Onbepaalde wijs (infinitief): samentrekken
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik trek samen
    • jij trekt samen
    • hij/zij/het trekt samen
    • wij trekken samen
    • jullie trekken samen
    • zij trekken samen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik trok samen
    • jij trok samen
    • hij/zij/het trok samen
    • wij trokken samen
    • jullie trokken samen
    • zij trokken samen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb samengetrokken
    • jij hebt samengetrokken
    • hij/zij/het heeft samengetrokken
    • wij hebben samengetrokken
    • jullie hebben samengetrokken
    • zij hebben samengetrokken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had samengetrokken
    • jij had samengetrokken
    • hij/zij/het had samengetrokken
    • wij hadden samengetrokken
    • jullie hadden samengetrokken
    • zij hadden samengetrokken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal samentrekken
    • jij zult samentrekken
    • hij/zij/het zal samentrekken
    • wij zullen samentrekken
    • jullie zullen samentrekken
    • zij zullen samentrekken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal samengetrokken hebben
    • jij zult samengetrokken hebben
    • hij/zij/het zal samengetrokken hebben
    • wij zullen samengetrokken hebben
    • jullie zullen samengetrokken hebben
    • zij zullen samengetrokken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou samentrekken
    • jij zou samentrekken
    • hij/zij/het zou samentrekken
    • wij zouden samentrekken
    • jullie zouden samentrekken
    • zij zouden samentrekken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben samengetrokken
    • jij zou hebben samengetrokken
    • hij/zij/het zou hebben samengetrokken
    • wij zouden hebben samengetrokken
    • jullie zouden hebben samengetrokken
    • zij zouden hebben samengetrokken
  • Imperatief

    • jij trek samen
    • jullie trekt samen

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van samentrekken