Vervoeging van scheeflopen

Onbepaalde wijs (infinitief): scheeflopen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik loop scheef
    • jij loopt scheef
    • hij/zij/het loopt scheef
    • wij lopen scheef
    • jullie lopen scheef
    • zij lopen scheef
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik liep scheef
    • jij liep scheef
    • hij/zij/het liep scheef
    • wij liepen scheef
    • jullie liepen scheef
    • zij liepen scheef
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben scheefgelopen
    • jij bent scheefgelopen
    • hij/zij/het is scheefgelopen
    • wij zijn scheefgelopen
    • jullie zijn scheefgelopen
    • zij zijn scheefgelopen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was scheefgelopen
    • jij was scheefgelopen
    • hij/zij/het was scheefgelopen
    • wij waren scheefgelopen
    • jullie waren scheefgelopen
    • zij waren scheefgelopen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal scheeflopen
    • jij zult scheeflopen
    • hij/zij/het zal scheeflopen
    • wij zullen scheeflopen
    • jullie zullen scheeflopen
    • zij zullen scheeflopen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal scheefgelopen zijn
    • jij zult scheefgelopen zijn
    • hij/zij/het zal scheefgelopen zijn
    • wij zullen scheefgelopen zijn
    • jullie zullen scheefgelopen zijn
    • zij zullen scheefgelopen zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou scheeflopen
    • jij zou scheeflopen
    • hij/zij/het zou scheeflopen
    • wij zouden scheeflopen
    • jullie zouden scheeflopen
    • zij zouden scheeflopen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn scheefgelopen
    • jij zou zijn scheefgelopen
    • hij/zij/het zou zijn scheefgelopen
    • wij zouden zijn scheefgelopen
    • jullie zouden zijn scheefgelopen
    • zij zouden zijn scheefgelopen
  • Imperatief

    • jij loop scheef
    • jullie loopt scheef

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van scheeflopen