Vervoeging van slijpen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik slijp
    • jij slijpt
    • hij/zij/het slijpt
    • wij slijpen
    • jullie slijpen
    • zij slijpen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik sleep
    • jij sleep
    • hij/zij/het sleep
    • wij slepen
    • jullie slepen
    • zij slepen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geslepen
    • jij hebt geslepen
    • hij/zij/het heeft geslepen
    • wij hebben geslepen
    • jullie hebben geslepen
    • zij hebben geslepen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geslepen
    • jij had geslepen
    • hij/zij/het had geslepen
    • wij hadden geslepen
    • jullie hadden geslepen
    • zij hadden geslepen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal slijpen
    • jij zult slijpen
    • hij/zij/het zal slijpen
    • wij zullen slijpen
    • jullie zullen slijpen
    • zij zullen slijpen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geslepen hebben
    • jij zult geslepen hebben
    • hij/zij/het zal geslepen hebben
    • wij zullen geslepen hebben
    • jullie zullen geslepen hebben
    • zij zullen geslepen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou slijpen
    • jij zou slijpen
    • hij/zij/het zou slijpen
    • wij zouden slijpen
    • jullie zouden slijpen
    • zij zouden slijpen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geslepen
    • jij zou hebben geslepen
    • hij/zij/het zou hebben geslepen
    • wij zouden hebben geslepen
    • jullie zouden hebben geslepen
    • zij zouden hebben geslepen
  • Imperatief

    • jij slijp
    • jullie slijpt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van slijpen