Vervoeging van smakken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik smak
    • jij smakt
    • hij/zij/het smakt
    • wij smakken
    • jullie smakken
    • zij smakken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik smakte
    • jij smakte
    • hij/zij/het smakte
    • wij smakten
    • jullie smakten
    • zij smakten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesmakt
    • jij hebt gesmakt
    • hij/zij/het heeft gesmakt
    • wij hebben gesmakt
    • jullie hebben gesmakt
    • zij hebben gesmakt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesmakt
    • jij had gesmakt
    • hij/zij/het had gesmakt
    • wij hadden gesmakt
    • jullie hadden gesmakt
    • zij hadden gesmakt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal smakken
    • jij zult smakken
    • hij/zij/het zal smakken
    • wij zullen smakken
    • jullie zullen smakken
    • zij zullen smakken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesmakt hebben
    • jij zult gesmakt hebben
    • hij/zij/het zal gesmakt hebben
    • wij zullen gesmakt hebben
    • jullie zullen gesmakt hebben
    • zij zullen gesmakt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou smakken
    • jij zou smakken
    • hij/zij/het zou smakken
    • wij zouden smakken
    • jullie zouden smakken
    • zij zouden smakken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesmakt
    • jij zou hebben gesmakt
    • hij/zij/het zou hebben gesmakt
    • wij zouden hebben gesmakt
    • jullie zouden hebben gesmakt
    • zij zouden hebben gesmakt
  • Imperatief

    • jij smak
    • jullie smakt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van smakken